> Spookjongeren weer in beeld

Spookjongeren weer in beeld

Ze hebben geen werk, geen uitkering, geen startkwalificatie en zitten niet op school. Spookjongeren worden ze wel genoemd, al zijn ze zelf niet gelukkig met dit woord. Een neutralere benaming is ‘jongeren buiten beeld’. Ook UWV levert een bijdrage aan het weer 'zichtbaar' maken van deze jongeren.

Spookjongeren. Het is een verzamelnaam voor een bonte groepering van volgens het CBS zo’n 135.000 jongeren tussen de 18 en 27 jaar. Onder hen bevinden zich mensen die dakloos zijn en kampen met schulden en verslaving, maar ook mensen die de zorg hebben voor een gezin of na het afronden van hun studie een jaar de wereld rondtrekken. Trek je de groep van jongeren die een bepaalde, afgebakende tijd buiten beeld zijn omdat ze bijvoorbeeld net een opleiding hebben afgerond of in een instelling verblijven, af van het totaal, dan resteert volgens het CBS een groep van 66.000 mensen die echt buiten beeld zijn. 

’Een kwetsbare groep’, aldus het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Ze hebben het contact verloren met de instanties die hen op weg naar een baan kunnen helpen, hebben nauwelijks of geen zicht op werk en lopen relatief veel kans om schulden te maken, in de criminaliteit te belanden of te radicaliseren, aldus het ministerie. Met gemeenten werden dan ook afspraken gemaakt om deze jongeren beter in kaart te brengen en ze vervolgens naar school of naar een baan te begeleiden. Ook werd krachtig gepleit voor een betere aanpak van voortijdig schoolverlaters (ook wel vsv’ers genoemd). 

Begin dit jaar werd bekend dat die aanpak redelijk succesvol is geweest. Inmiddels verlaten nog maar 23.000 jongeren (1,7% van het totale aantal scholieren) voortijdig het voortgezet onderwijs. Dat waren er ooit drie keer zo veel. Econoom Peter Hein van Mulligen van het CBS waarschuwde ‘dat er een harde kern van kansarme jongeren overblijft.’ De vraag is of die groep groter wordt.

Het mom van zelfredzaamheid

Trudi Nederland, senior onderzoeker bij het Verwey-Jonker Instituut, heeft haar twijfels: ‘Daar zijn geen cijfers over bekend. Maar er zijn tendensen in de samenleving die het waarschijnlijk maken dat meer jongeren buiten de boot dreigen te vallen. De samenleving wordt ingewikkelder, je moet zelf maar van alles en nog wat zien te regelen, van huurtoeslag tot zorgtoeslag en van WMO-toeslag tot schoolgeld. We vragen juist het meest aan mensen met de minste (digitale) vaardigheden. Zelfredzaamheid, participatiemaatschappij: het zijn mooie woorden en ik ben er ook niet tegen. Dat pamperen van wieg tot graf, zoals vroeger werd gedaan, is ook de oplossing niet, maar er is nog een tussenweg tussen pamperen en mensen aan hun lot overlaten onder het mom van zelfredzaamheid.’ 

Het is een zeer kwetsbare groep, die ondersteuning nodig heeft vanuit hun eigen kracht, aldus Nederland, die meewerkte aan het vorig jaar verschenen rapport Jongeren buiten beeld van het Kennisplatform Integratie & Samenleving. ‘Dat wil zeggen: niet iets vóór hen bedenken maar mét hen. Ga naar ze toe en vraag ze: ‘Wat vind jij belangrijk? Wat kunnen wij daarin betekenen?’ Laat je ze aan hun lot over, dan betaal je daar als samenleving vroeg of laat de rekening voor.’

Dat ‘buiten beeld’ zijn van die jongeren moet overigens niet al te letterlijk worden opgevat. De meeste jongeren zijn te traceren omdat ze nog thuis wonen, een eigen huis hebben of bijvoorbeeld bekend zijn bij een zorgverlener. Slechts een klein deel is dakloos en/of heeft zich bewust laten uitschrijven uit de gemeentelijke basisregistratie in de hoop zo onder hun schulden uit te komen. ‘In het algemeen zijn het jongeren met een meervoudige problematiek’, zegt Janneke Gulen, teamleider bij Streetcornerwork in Amsterdam. ‘Vrijwel altijd hebben ze schulden, komen ze uit een lastige thuissituatie en hebben ze psychische problemen. Tot 23 jaar worden ze door de gemeenten gemonitord (omdat ze tot die leeftijd recht hebben op jeugdhulp) en hebben we er dus redelijk zicht op. De grootste problemen zie je dan ook bij de groep 23- tot 27 jarigen.’

Lange adem

De jongeren vragen om een specifieke benadering, vervolgt Gulen. ‘Ze vragen niet zelf om hulp, ook al omdat ze in hun jeugd vaak slechte ervaringen hebben opgedaan met allerlei instellingen, variërend van jeugdzorg tot justitie. Omdat ze niet naar jou toe komen, moet jij hen opzoeken. Op straat of thuis – in elk geval op een plek waar zij zich prettig voelen. Vervolgens is het een kwestie van lange adem om hun vertrouwen te winnen.’ Is dat eenmaal gelukt, dan probeert Streetcornerwork eerst allerlei basale zaken te regelen, zoals huisvesting, schuldsanering en een vorm van inkomen. 

Gulen: ‘Vroeger was de Wajong een veilig vangnet voor veel van deze jongeren. Maar sinds de recente wetswijzigingen komen de meesten daarvoor niet langer in aanmerking. Nu moeten we op zoek naar andere manieren om hen een zekere bestaanszekerheid te geven.’ Pas als Streetcornerwork erin is geslaagd een zekere vorm van rust te brengen in hun leven, heeft het zin te kijken naar een volgende stap, aldus Gulen. Dat kan zijn dat ze terug naar school gaan of bijvoorbeeld naar een plek in de maatschappelijke opvang. ‘Elke jongere’, benadrukt Gulen, ‘vraagt om een eigen, laagdrempelige aanpak, bij voorkeur door één vaste begeleider die hem of haar op de verschillende leefgebieden bijstaat.’

Wees er vroeg bij

Toen Trudi Nederland onderzoek deed naar jongeren buiten beeld van 23 tot 27 jaar in Almere, viel haar direct op dat de gemeente weliswaar allerlei initiatieven had ontwikkeld, maar dat er weinig verbinding zat in de hulp aan deze groep kwetsbare jongvolwassenen. Nederland: ‘Als ze een uitkering aanvroegen bij de gemeente, werd hun verteld dat ze eerst een startkwalificatie dienden te halen. Maar een 25-jarige terug naar school sturen, waar hij terechtkomt in een klas met 15-, 16-jarigen, dat werkt niet. De kans op uitval is zeer groot. En dan verdwijnen ze meteen weer uit beeld, mede omdat de hulpverlening rond die jongeren sterk is versnipperd.’ 

Ook Nederland pleit voor een aanpak op maat. ‘Almere leerde ons hoe belangrijk het is dat jongeren buiten beeld niet te maken krijgen met steeds weer andere hulpverleners, maar dat ze worden begeleid door één vertrouwenspersoon die hen op allerlei terreinen stapje voor stapje ondersteunt. En wees er vroeg bij. Hoe langer je ze aan hun lot overlaat, hoe groter de afstand tot de arbeidsmarkt en dus hoe groter de kans op een leven zonder enig perspectief op een ‘normaal bestaan’. Met op termijn het risico op armoede en sociale uitsluiting, wat weer kan leiden tot criminalisering of radicalisering’, waarschuwt Nederland. 

Uit een onderzoek van KBA Nijmegen (Kenniscentrum Beroepsonderwijs Arbeidsmarkt) blijkt dat met name de 23-plussers onder de jongeren buiten beeld tussen wal en schip dreigen te raken. ‘In alle aandacht voor voortijdige schoolverlaters, kwetsbare jongeren, jeugdhulp en de overgang naar werk lijkt het soms alsof de 23-plussers een letterlijk afgeschreven groep vormen,’ schrijven de onderzoekers in het rapport Perspectief 23-plus, dat in opdracht van het programma Leren en Werken is geschreven. 

Marianne Zoetmulder, programmamanager Leren en Werken bij UWV: ‘Voor deze jongeren is school lang niet altijd een optie, ze hebben liever een baan, al dan niet in combinatie met een opleiding. In de 35 arbeidsmarktregio’s hebben wij samen met gemeenten, roc’s en mbo’s leerwerkloketten geopend. Gezamenlijk kijken we per jongere naar de beste oplossing. Soms is dat terug naar school, een andere keer is het een BBL, een Beroeps Begeleidende Leerweg; dan weer is het zaak om eerst aandacht te besteden aan de schulden of de psychische problemen van de jongere in kwestie. Zoveel jongeren, zoveel oplossingen. Belangrijk is, vervolgt Zoetmulder, dat er een betere samenwerking komt tussen gemeenten en het mbo. ‘Verder blijkt uit verschillende onderzoeken dat het cruciaal is dat jongeren goede begeleiding krijgen tijdens hun loopbaan. Pak ze direct op na school en laat ze niet meer los.’

In Rotterdam ging vorig jaar WSPR-Jong van start, een initiatief binnen WerkgeversService-punt Rijnmond om jongeren zo snel mogelijk aan het werk te helpen. Vacatures worden breed verspreid onder een netwerk van jongerenorganisaties. ‘Ook onder organisaties die werken met onzichtbare jongeren’, vult Jakolien van der Poel van WSPR-Jong aan. ‘We brengen in kaart welke professionals in de stad met deze doelgroep werken. Vacatures waarvan wij denken dat ze geschikt zijn voor deze jongeren, brengen we onder hun aandacht. In het eerste kwartaal van dit jaar hebben we zo 28 jongeren aan een baan weten te helpen, zonder gebruik te maken van enige subsidieregeling.’ 

Een hoopvol resultaat, erkent ze, maar het kan nog beter. Van der Poel: ‘Het probleem van de onzichtbare jongeren is een probleem van de hele stad. Toch zie je dat iedere organisatie die hierbij betrokken is nog te veel werkt vanuit haar eigen belangen. Een voorwaarde om deze jongeren weer zichtbaar te maken en ze te helpen een bestaan op te bouwen, is samenwerking tussen gemeente, UWV, scholen, werkgevers en hulpverleners. In WSPRJong hebben we al deze partijen bij elkaar gebracht en hoewel het natuurlijk altijd beter kan, werkt het.’

Beschermende factoren

Onderzoekster Trudi Nederland komt tot dezelfde conclusie: ‘Wijkagenten, sociaal werkers, migrantenorganisaties, ouders, jongerenwerkers: zorg dat iedereen die met deze groep op welke manier dan ook in aanraking komt, met elkaar in gesprek raakt. Samenwerking tussen sleutelpersonen en tussen diverse formele en informele organisaties wordt alom beschouwd als een essentiële factor om jongeren die buiten beeld zijn te bereiken. Is dat gelukt, bied ze dan hulp op maat, voor de een is dat een klein duwtje in de rug, voor de ander een opname in een afkickkliniek. Wat me opvalt, is dat er veel aandacht is voor de risicofactoren in de leefsituatie van jongeren, maar veel minder voor wat wij ‘de beschermende factoren’ hebben genoemd: factoren die jongeren helpen uit de negatieve spiraal te komen. Dat kunnen familieleden zijn, vrienden of een vertrouwenspersoon bij een instantie, mensen die a​​ansluiting hebben bij hun wereld, die ze vertrouwen geven, steunen en aansporen. Want uiteindelijk moeten de jongeren zelf aangeven wat hun wensen zijn en hoe ze denken die het best te kunnen realiseren.’

Vangnetten

Fungeerde de Wajong voorh​​een nog vaak als een vangnet voor voormalige spookjongeren, nu is dat een stuk lastiger geworden. Sinds de invoering in 2015 van de Participatiewet zijn er namelijk verschillende mogelijkheden.

​Wie door ziekte of een handicap niet in staat is het minimumloon te verdienen, kan in aanmerking komen voor een indicatie banenafspraak en daarmee voor een baan uit de banenafspraak.
De tweede mogelijkheid is een advies ‘indicatie beschut werk’ voor wie alleen met begeleiding en aanpassingen op een werkplek kan werken.
De Wajong geldt voor mensen die op jonge leeftijd een ziekte of handicap hebben gekregen. Wie voldoet aan de voorwaarden van Wajong 2015 (alleen voor personen die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben) kan een Wajong-uitkering van UWV krijgen.
Jongeren die beschikken over arbeidsvermogen vallen onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten, die bijstand kunnen verstrekken. De regels voor de bijstand kunnen per gemeente verschillen. Iedereen tussen de 18 jaar en 27 jaar die voldoet aan een reeks voorwaarden, komt in principe in aanmerking voor bijstand, nadat hij of zij eerst vier weken na aanvraag zelf actief heeft gezocht naar werk of een opleiding. Aan die uitkering zijn verplichtingen verbonden die per gemeente kunnen verschillen – van het meewerken aan maatschappelijk nuttige activiteiten tot het verplicht volgen van een cursus solliciteren of het volgen van taallessen.

Dit artikel verscheen in UWV Magazine​ #2 2017​.